HHG Genemuiden 

Adres: Bereklauw 1  

 Telefoon: 038-3030200

Wat geloven wij

1 Het wonder van de kerk . . .

De Hersteld Hervormde gemeente Genemuiden is een klein onderdeeltje van Gods Kerk wereldwijd. Het is een wonder dat er nog steeds een gemeente Gods op aarde is. Als we de kerkgeschiedenis overzien is de weg van de kerk vaak een weg geweest van inzinking en opwekking, van dwaling en reformatie. De kerk werd en wordt bedreigd van buitenaf, denk aan de vervolgingen.

Maar ook van binnenuit zijn er krachten die de gemeente Gods bedreigen. We noemen o.a. het overnemen van wereldse en goddeloze denkpatronen en levensstijl; het verkillen in de onderlinge liefde; het wegraken bij de bijbelse leer van zonde en genade. Op dit moment zijn het vooral de secularisatie en de invloeden van de evangelische beweging die het gereformeerde karakter van de kerken in Nederland bedreigen.

Dat er een kerk is en dat wij iedere zondag samenkomen rondom het Woord is niet te danken aan mensen, maar is louter een zaak van Gods genade en trouw.

De kerk is geen vereniging. Een vereniging wordt opgericht en in stand gehouden door mensen. De kerk is een zaak van God. Zijn verkiezende genade is het diepste geheim van de gemeente.

De gemeente is er in de eerste plaats voor de drie-enige God. God heeft Zijn gemeente geroepen met het oog op de eer van Zijn Naam. Wij zijn er niet voor onszelf en voor elkaar. Maar wij zijn er om Hem.

Wanneer bloeit de gemeente?

Als er mensen wedergeboren worden door het Woord, bestemd tot het eeuwige leven. Calvijn zegt het kort en bondig: Dit is het einddoel van onze roeping, dat wij aan God toegewijd, Hem heel ons leven door prijzen en verheerlijken (Commentaar op Jesaja 43:21).

Dat de gemeente er is voor de Heere vinden we terug in de verschillende bijbelse benamingen voor de gemeente.

De gemeente wordt genoemd het volk van God die geroepen is om de deugden te verheerlijken van Hem, nl. Christus, Die haar geroepen heeft (Deut.7:6, 1 Petr. 2:10, 1 Petr. 2:9). De gemeente wordt verder genoemd een tempel des Heiligen Geestes (Ef. 2:2,22). Het gaat dan om de heiliging van het leven van ons als lidmaten. We behoren een leesbare brief te zijn. Het moet te zien zijn in onze handel en wandel dat we van de Heere zijn.

Wanneer we het bovenstaande op ons laten in werken beseffen we wat een hoge roeping we hebben. Zo behoort de gemeente te zijn. Wanneer we de praktijk er naast leggen is er veel dat niet in overeenstemming is met hoe de gemeente behoort te zijn. Er zijn helaas veel dode ranken die niet verbonden zijn aan de levende Wijnstok, d.i. Christus. Er is naast het koren veel onkruid (zie Matth. 13:24-30, 36-43). In de voleinding van de wereld zal de Heere koren en kaf gaan scheiden. In het licht van het grote wereldgericht wordt de genade Gods verkondigd. In de prediking wordt een ieder opgeroepen tot geloof en bekering.

Het bijbelse ideaal beeld van hoe de gemeente behoort te zijn moet ons steeds voor ogen staan.

 

2 De christelijke kerk en gemeente.

2.1 De grondslag van de kerk.

Wat de ziel is voor het lichaam, is de leer voor de kerk. De eerste christengemeente kenmerkte zich door het volharden in de leer (Hand. 2:42). Wij geloven dat de kerk in de eerste plaats herkenbaar is aan haar leer. De eenheid in de leer verbindt de belijders aan elkaar. Als hervormde gemeente weten wij ons gebonden aan de drie katholieke belijdenisgeschriften:

1. De apostolische geloofsbelijdenis of 12-artikelen

2. De geloofsbelijdenis van Nicéa

3. De geloofsbelijdenis van Athanasius

 

Daarnaast onderschrijven wij de vier reformatorische belijdenisgeschriften, nl.:

1. De Heidelbergse Catechismus

2. De Nederlandse Geloofsbelijdenis

3. De Dordtse Leerregels

4. De Catechismus van Genève

 

2.2 Lichaam van Christus.

 Als de kerk naar haar wezen het lichaam van Christus is, heeft dat consequenties. Gemeente-zijn is meer dan op zondag tweemaal een preek ‘consumeren’. We zetten ons gezamenlijk neer onder het Woord om te horen wat God tot ons te zeggen heeft. Als ‘familia Dei’, als huisgezin Gods, komen we bijeen. In de gemeente horen leden onderling op elkaar betrokken te zijn. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Van de gemeenteleden wordt verwacht dat zij op elkaar zijn betrokken in blijde en droeve dagen. Het bezoeken van weduwen, weduwnaren, eenzamen en wezen kan niet worden uitbesteed aan een ambtsdrager, maar is de roeping van allen in de gemeente (Jac. 1:27).

In de voorbede krijgen bijzondere noden van de gemeente een uitdrukkelijke plaats. Deze noden dienen dan wel bij de kerkenraad bekend gemaakt te worden.

 

2.3 Activiteiten

Naast de zondagse eredienst kent de gemeente een aantal doordeweekse activiteiten. Zo worden er gedurende het winterseizoen een aantal bijbellezingen gehouden en is er de bijbelkring op zaterdagavond eens per drie weken. Het doel van deze activiteiten is om de gemeente breder en dieper te onderwijzen in de Schrift en er meer mee vertrouwd te maken. Ook de wekelijkse catechese staat in dit kader. De jongeren leren de hoofdboodschap en de kernbegrippen van Gods Woord, opdat zij de prediking beter kunnen begrijpen en kunnen plaatsen. Elke nieuwe generatie moet zich de boodschap van de Bijbel eigen maken en kritisch kunnen onderscheiden waar het op aankomt. We verrichten catechese in het verlangen en het vertrouwen dat de Heere in de bedding van het verbond Zijn genade laat stromen. Het is gericht op volgende geslachten. De jeugd heeft een belangrijke plaats in ons hart. We verwachten van ouders dat ze hun kinderen naar de catechisatie zullen sturen en naderhand met belangstelling zullen spreken over wat daar aan de orde is geweest. U mag uw kinderen hierin stimuleren en het nut ervan duidelijk maken.

Er is een jonge lidmatenkring als een vervolg op de belijdeniscatechisatie. Van tijd tot tijd is er een preekbespreking met jongeren n.a.v. de preek. Voor de jeugd is er vanaf 6 jaar het jeugdwerk. De zondagschool is er samen met de plaatselijke PKN gemeente.

De gemeente kent verschillende verenigingen: mannenvereniging, vrouwenvereniging en jongerenkring.

Als uitgangspunt voor alle activiteiten binnen de gemeente geldt dat het Woord van God hierin de belangrijkste plaats heeft. Als in de kerkelijke activiteiten het Woord van God niet uitdrukkelijk aan de orde komt, is het misschien wel een goede activiteit, maar heeft het niets met de kerk te maken. We houden jongeren niet bij de kerk met aanpassing aan de wereld, maar door een geloofwaardige, eerlijke bijbelse boodschap. De jeugd is niet verlegen om zwaarheid, maar om waarheid en helderheid.

De kern van het gemeente-zijn ligt niet in de activiteiten, maar in de zondagse eredienst. Opdat de kennis van Gods Woord wordt vermeerderd en opdat de onderlinge betrokkenheid in de gemeente wordt verdiept. Zo gaat de kerk door de wereld, totdat de volkomenheid van Christus’ rijk daar is en God alles in allen zal zijn.

 

2.4 Voorgeschiedenis (hersteld) hervormde gemeente van Genemuiden

Nadat op 12 december 2003 door de synode van de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk het besluit werd genomen te gaan fuseren met de Gereformeerde Kerken en de Lutherse Kerk, waardoor de Protestantse Kerk in Nederland ontstond, hebben de predikant van de toenmalige wijk 1, ds. N. den Ouden, en een aantal ouderlingen van de wijken 1, 2 en 3 te kennen gegeven niet mee te kunnen in deze nieuwe kerk. Toen de nieuwe fusiekerk op 1 mei 2004 daadwerkelijk een feit werd, hebben deze ambtsdragers samen een nieuwe kerkenraad gevormd en besloten de Hervormde Kerk te Genemuiden voort te zetten binnen het verband van de Hersteld Hervormde Kerk.

De Hervormde Kerk heeft sindsdien een zeer gebroken gestalte. We heten nu Hersteld Hervormde Gemeente. We bidden echter om herstel in de zin van Psalm 80: Herstel Uw wijnstok als weleer.

Samen met deze kerkenraadleden hadden op of rond 7 januari 2004, op een daartoe belegde gemeenteavond, ca. 1.000 gemeenteleden eveneens te kennen gegeven niet tot de Protestantse Kerk in Nederland te willen behoren. De gemeente kent sindsdien een gestage groei en januari 2008 had de gemeente in totaal ruim 1300 leden.

De kerkenraad bestaat uit 1 predikant, 10 ouderlingen en 4 diakenen. Naast de kerkenraad kent de gemeente eveneens een college van 5 kerkvoogden en 6 notabelen, die gezamenlijk de stoffelijke zaken van de gemeente behartigen.

 

3 De prediking

3.1 De kern van de prediking

Het hart van het gemeenteleven is de prediking van het Woord. Alle doordeweekse activiteiten zijn gericht op een beter verstaan en de doorwerking van de prediking. Tijdens de prediking vindt de bediening van de verzoening plaats. Persoonlijk bijbelonderzoek thuis wordt sterk aangemoedigd. Maar de openbare eredienst heeft een meerwaarde. In het Oude Testament verlangden de gelovigen naar het heiligdom. Zo mag er vandaag een verlangen zijn om ‘s zondags met de gemeente samen te komen in Gods huis. Het is de werkplaats van de Heilige Geest. Het is veelzeggend dat men in landen waar christenen worden verdrukt, toch als gemeente blijft samenkomen. Het zou juist dan verleidelijk zijn om privé-christen te zijn.

In de prediking horen we dat God, Die de wereld heeft geschapen, haar na de zondeval niet heeft losgelaten. Hij heeft de wereld, die in het boze ligt, zo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven (Joh. 3:16).

Christus is het centrum van de prediking. Zonder Hem kunnen allerlei mooie en ware dingen worden gezegd, maar de kern ontbreekt. Wij kunnen niet tot God komen, maar God komt tot ons. God is Mens geworden. Jezus Christus is gestorven aan het kruis en op de derde dag opgestaan. Hij overwon dood en graf en is naar de hemel opgevaren. Hij bidt daar aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij is bezig terug te komen in grote heerlijkheid op de wolken van de hemel.

Wereldwijd worden er christelijke gemeenten gesticht en roept God zondaren uit de duisternis van hun zondige bestaan. Het is geen vanzelfsprekende zaak als mensen wel geloven. Het is zeer gevaarlijk als de prediking de indruk wekt dat iedere kerkganger gelovig en wedergeboren is. Wedergeboorte is een machtig wonder van de Heilige Geest. Maar tegelijkertijd moet gezegd worden dat het geen vanzelfsprekende zaak mag zijn om onbekeerd door te leven. Alsof het geoorloofd is om daarin te berusten. Geenszins. De Heere Jezus begon Zijn prediking met; bekeert u! Hij eist oprechte gehoorzaamheid.

Het evangelie wordt aan alle zondaren verkondigd met bevel van geloof en bekering. In de prediking zal in alle eerlijkheid en scherpte aan de orde komen de verlorenheid en vijandschap van de mens tegen God. Niet minder zal verkondigd worden Gods grondeloze barmhartigheid en Zijn liefde tot verloren zondaren.

De gewilligheid van de Heere; (1 Tim. 2: 4; ”Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen”), betoond in het volbrachte werk van Zijn Zoon, de Middelaar Gods en der mensen, om zondaren te redden en zalig te maken; tegenover de onwilligheid van de natuurlijke mens. In Psalm 110 vers 3 staat echter ook: ”Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht.”

Filipp. 2:12-13: “Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

 

3.2 Evenwichtige prediking

De prediking moet het bijbels evenwicht handhaven. Dat is heel moeilijk. Voordat we het beseffen wijken we af ter linkerzijde of struikelen wij ter rechterzijde. Beide is even erg.

In de prediking worden Gods genadige beloften verkondigd en de waarachtigheid ervan benadrukt. Niet minder zal gewezen moeten worden op de noodzaak van persoonlijke toe-eigening door geloof en wedergeboorte. We belijden hierin Gods soevereiniteit en handhaven tegelijk de verantwoordelijkheid van de mens om zijn roeping en verkiezing vast te maken (2 Petr.1:10).

Gods soevereiniteit komt tot uiting in de verkiezing naar Zijn welbehagen. Echter, is er geen verkiezing dan is er ook geen roeping. De roeping komt middels de prediking tot ons. Voor de gelovige is de verkiezing een troost en wekt het tot verwondering. Anders gezegd het is een poort tot de verzoening met God en de zaligheid in Christus.

De spanning tussen het algenoegzame offer van Christus en de persoonlijke verkiezing brengen we als volgt onder woorden: “Christus is niet voor ieder gestorven, maar er is voor ieder wel een gestorven Christus.” (Thomas Boston )

Geloven is het meest vernederende wat een zondaar kan beoefenen. Het betekent een rechteloze en goddeloze te zijn voor de Heere. We worden niet gerechtvaardigd als zoekende en gewillige mensen, maar als goddelozen. Van nature moeten we de Heere niet. Het leven met Jezus betekent sterven met Jezus maar ook opstaan met Hem in een nieuw leven. Het leven met Christus is een leven van genade. Waarbij er verheuging en blijdschap mag zijn als de Heere de zonde niet meer gedenkt en deze voor altijd heeft bedekt. Zo zijn er voorbeelden in de bijbel waarbij er vreugde en blijdschap kwam. Denk aan de kamerling die nadat hij mocht opkomen uit het badwater (nieuw leven) zijn weg verder reisde met blijdschap. En ook de gelijkenis van de verloren zoon waar we lezen dat zijn Vader als hij nog ver van hem was, hem zag en met innerlijke ontferming bewogen was, hem omhelsde en even later uitriep: “Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.” En dan volgt er: “ en zij begonnen vrolijk te zijn.”

De vruchten van geloof en bekering bloeien op uit een verbroken hart. De Heere is goed voor slechte mensen.

Een evenwichtige prediking zal ook ontdekkend zijn zodat we door de Heilige Geest geleid zullen ervaren of we deel hebben gekregen aan de nieuwe geboorte of niet. Zelfonderzoek is nodig. De ontdekking geen kennis aan Christus te hebben, heeft reeds velen tot bekering gebracht.

Hoewel er ook een wezenlijk gevaar bestaat dat het bijbelse gegeven dat wij tot Gods verbond behoren wordt ondergewaardeerd; zal in de prediking moeten doorklinken dat er twee soorten kinderen van dat ene verbond zijn: wedergeboren mensen en niet-wedergeboren mensen. Een separerende prediking is daarom nodig, opdat mensen, die gaan ontdekken Christus en de zaligheid nog te missen; zullen worden uitgedreven tot Hem.

 

3.3 De prediking en het persoonlijke geloofsleven.

Het leven uit Christus betekent een wandelen op de smalle weg. We moeten niet een paar stappen terug doen, maar sterven aan onszelf. Hij moet wassen en ik minder worden. Genade was voor Jezus niet goedkoop.

Zie Filipp. 2: 6-7: “Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;”

Het leven van een Christen heeft als doel te leven zoals de HC, zondag 12, vraag 32 dit aangeeft:

“....opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede con-sciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde…”.

Opdat ik Gode leven zal.

God spreekt de zondaar vrij van schuld en straf en eist dat we de zonde haten en laten. We moeten radicaal met onze zondige levenswijze breken. De duivel probeert ons van God af te houden en het op een akkoordje te gooien met de wereld. Hij stelt een soort middenweg voor als ideaal.

De duivel neemt genoegen met ons halve hart (en dan heeft hij ons helemaal). Maar de Heere wil ons gehele hart. De grootste zonde is de zonde van het ongeloof.

Bedenk wel dat het een ontzettende zaak is als we Zijn bloed verachten en aan de verzoening die Hij heeft aangebracht voorbij leven. De Heere wijst ons in deze op Zijn Woord vanuit 2 Thess. 2: 10-12 en Lukas 13: 3 en 5.

Maar het christelijke leven is een nauwgezet leven. Het kost moeite en strijd. Gods kerk is op aarde een strijdende kerk. Zij strijdt echter wel met liefde en toewijding. (zie vraag 114-115 H.C.). Maar de Heere strijdt ook voor Zijn kinderen; 1 Petrus 1: 5: ”…die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof…….”

Gods kinderen groeien op in de kennis van Christus. Ze voelen zich echter niet steeds grotere gelovigen worden. Voor hun eigen besef zien ze steeds meer hun zondige aard. De heiliging is geen vrucht van de rechtvaardiging, maar zowel de rechtvaardiging als de heiliging zijn vruchten van Christus. De rechtvaardiging blijft in het centrum van het geestelijk leven staan. Zo bloeit de heiliging op. De rechtvaardiging is nooit een gepasseerd station (vraag 60 H.C.). Rechtvaardiging en heiliging staan niet na elkaar, maar naast elkaar.

Als de rechtvaardiging niet een blijvende plaats behoudt, krijgen we een wettische en krampachtige heiliging. Onze heiliging is niet de grond zijn van onze rechtvaardiging. Juist als we zien dat we in onszelf verdorven zijn, is het een geweldige troost als we geloven dat God van onze kant niets verwacht. Christus is een volkomen Zaligmaker. Dat we ons geloofsoog buiten onszelf mogen slaan op Hem. Gods kinderen zijn geen ‘goeie bekeerde mensen’ maar zondaren die het alleen verwachten van de genade van God door Christus. Hem de eer.

 

4 Traditie

In alle eeuwen kent de kerk spanningen over allerlei praktische zaken die het dagelijks leven aan gaan. Reeds de eerste christenen hadden daar op een ingrijpende manier mee te maken. De Joden-christenen waren gewend aan de reinigingswetten, aan de spijswetten, aan de besnijdenis en aan de sabbat. De heiden-christenen weten van al deze voorschriften niet. Hoe moest men met deze verschillende tradities omgaan?

Paulus heeft daarover dingen geschreven in Romeinen 14 die voor ons vandaag van nog even grote betekenis zijn. Als gulden regen houdt hij ons de liefde voor. Al is Paulus er voor zichzelf geheel van overtuigd dat het geoorloofd is om varkensvlees te eten, in het bijzijn van een Joodse medebroeder doet hij dat beslist niet. Hij verloochent liever zichzelf dan dat hij iemand, die gevoelig is voor de tradities, ergert.

Luther heeft in deze zin in zijn ‘De vrijheid van een christen’ op onnavolgbare wijze uiteengezet dat het handhaven van tradities ons geen streepje voor geeft op de zaligheid. Tegelijk leert hij ons dat het afschaffen van tradities evenmin een kenmerk van de christen is. Calvijn leert ons dat we naar gelang de zeden van een volk gebruiken kunnen veranderen: ‘Ik erken wel dat men niet lichtvaardig en ook niet dikwijls en niet om geringe oorzaken tot vernieuwing moet komen’ (IV,X,30).

Wij zingen de psalmen niet-ritmisch. Daaraan ligt geen principe ten grondslag, maar in de volksziel is de gemeentezang op deze wijze reeds eeuwen ingedrongen. We beseffen dat dit een traditie is, maar we zien geen reden hier verandering in aan te brengen. Een andere traditie is dat wij twee diensten per zondag hebben, die ongeveer anderhalf uur duren. We maken in de eredienst gebruik van de Statenvertaling. Dit is niet de meest eenvoudige vertaling, maar wel de meest letterlijke vertaling. We gebruiken deze oude vertaling en voelen ons daardoor verbonden aan het voorgeslacht. Tevens gebruiken we deze vertaling bij gebrek aan een betere en getrouwere vertaling.